Tot een kat

    van Charles Cros
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 05/06/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

Witte kat, helemaal ongevlekt,
Mag ik je in dit vers even vragen
Welk geheim je groene ogen dragen,
Welk sarcasme je snor bedekt?

Je slaat ons gade, denkt in ’t geheim
Dat onze bleke wangen, dat onze lippen
Van dwaze koorts hun kleur kwijt zijn,
Dat onze holle ogen niet kunnen tippen

Aan je snoetje met de neus aan ’t eind
Rozig als een tepelknopje,
Aan je oren die met hun dessin
Trots je statig kopje kronen.

Waarom ben je altijd zo sereen?
Ontsluit jij misschien de problemen
Die ons, die niet zijn bij te benen,
Lente- en zomerpret benemen?

Bij de dood die ons bedreigt,
Of kat of mens, subtieler altijd
Dan onze kennis, weet soms je flair
Waar de verdwenen schoonheid blijft,

Waarheen de gedachten gaan, waarheen
De vleselijke heerlijkheden van weleer? …
Kat, draai toch je pupillen naar de rand;
Te veel zwart zie ik aan de binnenkant.


Charles Cros
'Mijnheer Cros'
lezing toegevoegd op 2020-06-14 07:48

Vertaling van À une chatte door Erik de Smedt:

Chatte blanche, chatte sans tache,
Je te demande, dans ces vers,
Quel secret dort dans tes yeux verts,
Quel sarcasme sous ta moustache.

Tu nous lorgnes, pensant tout bas
Que nos fronts pâles, que nos lèvres
Déteintes en de folles fièvres,
Que nos yeux creux ne valent pas

Ton museau que ton nez termine,
Rose comme un bouton de sein,
Tes oreilles dont le dessin
Couronne fièrement ta mine.

Pourquoi cette sérénité ?
Aurais-tu la clé des problèmes
Qui nous font, frissonnants et blêmes,
Passer le printemps et l’été ?

Devant la mort qui nous menace,
Chats et gens, ton flair, plus subtil
Que notre savoir, te dit-il
Où va la beauté qui s’efface,

Où va la pensée, où s’en vont
Les défuntes splendeurs charnelles ?
Chatte, détourne tes prunelles ;
J’y trouve trop de noir au fond.

over deze lezing


cover

(ill. NKdeE 2020, met obligate excuses aan de kattengemeenschap)


Categories
Lezingen Voordracht

Het goddelijke

    van Johann Wolfgang Goethe
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 26/05/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

Edel weze de mens,
Hulpvaardig en goed!
Want dat alleen
Onderscheidt hem
Van alle wezens
Die wij kennen.

Heil aan de onbekende
Hogere wezens
Die wij vaag vermoeden!
Moge de mens op hen gelijken!
Zijn voorbeeld moge ons leren
Aan hen te geloven.

Want gevoelloos
Is de natuur:
De zon schijnt
Over goeden en kwaden,
En voor de misdadiger
Schitteren als voor de beste
De maan en de sterren.

Wind en stromen,
Donder en hagel
Gaan bruisend hun weg
En grijpen
Voorbij snellend
De een na de ander.

Ook het geluk
Loopt tastend tussen de menigte,
Grijpt nu eens de gekrulde
Onschuld van de knaap,
Dan weer de kale
Schuldige schedel.

Volgens eeuwige, ijzeren
Grote wetten
Moeten wij allen
De kringen van ons
Bestaan voltooien.

Alleen de mens slechts
Vermag het onmogelijke:
Hij onderscheidt,
Kiest en oordeelt;
Hij kan het ogenblik
Duur verlenen.

Hij alleen mag
De goede belonen,
De boze bestraffen,
Genezen en redden,
Al wat dwaalt en doolt
Nuttig verbinden.

En wij vereren
De onsterfelijken
Als waren ze mensen,
Als deden ze in het groot
Wat de beste in het klein
Doet of zou willen doen.

De edele mens
Weze hulpvaardig en goed!
Onvermoeibaar moge hij scheppen
Wat nuttig en juist is,
Weze hij ons een voorbeeld
Van die vaag vermoede wezens!


Johann Wolfgang Goethe
n.v.t.
lezing toegevoegd op 2020-05-27 01:05

Vertaling van Das Göttliche door Erik de Smedt:

Edel sei der Mensch,
Hilfreich und gut!
Denn das allein
Unterscheidet ihn
Von allen Wesen,
Die wir kennen.

Heil den unbekannten
Höhern Wesen,
Die wir ahnen!
Ihnen gleiche der Mensch!
Sein Beispiel lehr’ uns
Jene glauben.

Denn unfühlend
Ist die Natur:
Es leuchtet die Sonne
Über Bös’ und Gute,
Und dem Verbrecher
Glänzen, wie dem Besten
Der Mond und die Sterne.

Wind und Ströme,
Donner und Hagel
Rauschen ihren Weg
Und ergreifen
Vorüber eilend
Einen um den andern.

Auch so das Glück
Tappt unter die Menge,
Faßt bald des Knaben
Lockige Unschuld,
Bald auch den kahlen
Schuldigen Scheitel.

Nach ewigen, ehrnen,
Großen Gesetzen
Müssen wir alle
Unseres Daseins
Kreise vollenden.

Nur allein der Mensch
Vermag das Unmögliche:
Er unterscheidet,
Wählet und richtet;
Er kann dem Augenblick
Dauer verleihen.

Er allein darf
Den Guten lohnen,
Den Bösen strafen,
Heilen und retten,
Alles Irrende, Schweifende
Nützlich verbinden.

Und wir verehren
Die Unsterblichen,
Als wären sie Menschen,
Täten im Großen,
Was der Beste im Kleinen
Tut oder möchte.

Der edle Mensch
Sei hülfreich und gut!
Unermüdet schaff’ er
Das Nützliche, Rechte,
Sei uns ein Vorbild
Jener geahneten Wesen!

over deze lezing


cover

Een onversneden, idealistische wensdroom uit de Weimarer Klassik: vertrouwen in het goede, ware en schone, tegen de onverschilligheid in. Johann Wolfgang Goethe gaf zijn gedicht over de mens (1783) de titel ‘Het goddelijke’.


Categories
Lezingen Voordracht

De dokter II

    van Gottfried Benn
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 13/05/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

De kroon van de schepping, het varken, de mens –:
ga toch met andere dieren om!
Op zijn zeventiende platluizen
tussen kwalijke smoelen heen en weer,
darmziektes en alimentatiegelden,
wijven en wimperdiertjes,
op je veertigste begint de blaas te lopen –
denken jullie dat omwille van zo’n knolgewas de aarde groeide
van de zon tot de maan –? Wat keffen jullie toch?
Jullie praten over ziel – Wat is jullie ziel?
Schijt de oude vrouw nacht na nacht haar bed vol –
smeert de grijsaard zijn wrakke dijen dicht,
en jullie reiken voer om het in de darm te stoppen,
denken jullie dat de sterren zaad verspreiden van geluk …?
Bah! – Uit koud geworden darmen
spuwde aarde zoals uit andere gaten vuur,
een bek vol bloed tevoorschijn –:
dat waggelt
langs de neerwaartse boog
zelfingenomen de schaduw in.


Gottfried Benn

lezing toegevoegd op 2020-05-14 11:01

Vertaling van Der Arzt II door Erik de Smedt:

Die Krone der Schöpfung, das Schwein, der Mensch –:
geht doch mit anderen Tieren um!
Mit siebzehn Jahren Filzläuse,
zwischen üblen Schnauzen hin und her,
Darmkrankheiten und Alimente,
Weiber und Infusorien,
mit vierzig fängt die Blase an zu laufen –:
meint ihr, um solch Geknolle wuchs die Erde
von Sonne bis zum Mond –? Was kläfft ihr denn?
Ihr sprecht von Seele – Was ist eure Seele?
Verkackt die Greisin Nacht für Nacht ihr Bett –
schmiert sich der Greis die mürben Schenkel zu,
und ihr reicht Fraß, es in den Darm zu lümmeln,
meint ihr, die Sterne samten ab vor Glück…?
Äh! – Aus erkaltendem Gedärm
spie Erde wie aus anderen Löchern Feuer,
eine Schnauze Blut empor –:
das torkelt
den Abwärtsbogen
selbstgefällig in den Schatten.

over deze lezing


cover

(illustratie: NKdeE 2020)


Categories
Lezingen Voordracht

Zeven gedichten

    van Rainer Maria Rilke
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 02/05/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

I

Opeens grijpt de rozenplukster
de volle knop van zijn levenslid
en na het schrikken door het verschil
glijden de [zoele] tuinen in haar weg

II

Je hebt, jij zomer die er plotseling bent,
het zaad van mijn onverhoedse boom doen rijzen.
(Vanbinnen ruime, voel in jou de boog
des nachts, waarin hij mondig is.)
Nu verhief hij zich naar het firmament,
een spiegelbeeld dat naast bomen staat.
O vel hem zodat hij, op zijn kop gezet
in je schoot, de tegen-hemel kent
waarin hij werkelijk opschiet en werkelijk klimt.
Gewaagd het landschap dat waarzegsters
in kristallen bollen zien. Dat binnenste waarin
het buiten zijn van de sterren jaagt.
[Daar zit de dood die buiten nachtelijk lijkt.
En daar zijn allen die ooit waren
met allen die komen zullen vereend
en scharen scharen zich rond scharen
net zoals de engel meent.]

III

Met onze blikken sluiten we de kring
tot warrige spanning er wit in smelt.
Reeds richt jouw onwetende bevel
de zuil op in mijn schaamgewas.

Door jouw toedoen staat het godenbeeld
bij de stille kruisweg onder mijn gewaad;
mijn hele lijf draagt zijn naam. Wij tweeën
zijn als een gouw waarin het toveren heerst.

Maar bos te zijn en hemel om de herme
is jouw taak. Laat los. Opdat
de vrije god te midden van zijn zwermen
uit de verrukt vernielde zuil tevoorschijn treedt.

IV

Schuchtere, van torens weet je niets.
Maar nu zul je een toren ervaren
met die wonderbare
ruimte in je. Sluit je gezicht.
Opgericht heb je hem
argeloos met blik en wenk en wenden.
Plots reikt hij van voltooiing in de hoogte,
en ik, ik zalige, mag hem betrekken.
Ach, hoe eng is het me daarin.
Streel me nu om uit de koepel los te spetten,
om in je zachte nachten
met de kracht van schootverblindende raketten
meer gevoel te slingeren dan ik ben.

V

Hoe heeft de al te wijde ruimte ons verdund.
Plots komt de golf van overvloed tot rust.
Nu sijpelt door de kalme zeef van kussen
alsem van het bittere wezen en absint.

Wat zijn we veel, uit mijn lichaam tilt
een nieuwe boom de overvolle kruin
en reikt naar jou: want kijk, wat is hij zonder
de zwevende zomer in jouw schoot.
Ben jij het ben ik het die wij zozeer verrukken?
Wie zegt het want we vervloeien. Misschien staat
in de kamer een zuil van vervoering
die welving draagt en langzamer vergaat.

VI

Wie zijn we nabij? De dood of dat
wat nog niet is? Wat betekende leem op leem
als de god niet voelend de gestalte vormde
die opgroeit tussen ons. Begrijp toch:
dit is mijn lichaam dat is opgestaan.
Help het nu zachtjes uit het hete graf
vandaan de hemel in die jij mij gaf:
dat driest uit hem het overleven daagt.
Jij jonge plek van diepe hemelvaart.
Jij donkere lucht vol zomerzoete pollen.
Wanneer hun duizend geesten in je dollen
wordt dat stijve lijk van me weer mals.

VII

Hoe ik je riep. Het zijn de stomme kreten
die in mij lieflijk zijn geworden.
Nu stoot ik in je trede na trede
en opgewekt klimt mijn zaad net als een kind.
Jij oergebergte van genot: opeens springt
het buiten adem naar je binnenste kam.
O geef je, geef je om te voelen hoe het kwam;
als het boven wenkt, dan volgt je val.


Rainer Maria Rilke
Poëziekrant
lezing toegevoegd op 2020-05-03 11:30

Vertaling van Sieben Gedichte door Erik de Smedt:

I

Auf einmal faßt die Rosenpflückerin
die volle Knospe seines Lebensgliedes,
und an dem Schreck des Unterschiedes
schwinden die [linden] Gärten in ihr hin

II

Du hast mir, Sommer, der du plötzlich bist,
zum jähen Baum den Samen aufgezogen.
(Innen Geräumige, fühl in dir den Bogen
der Nacht, in der er mündig ist.)
Nun hob er sich und wächst zum Firmament,
ein Spiegelbild, das neben Bäumen steht.
O stürz ihn, daß er, umgedreht
in deinen Schooß, den Gegen-Himmel kennt,
in den er wirklich bäumt und wirklich ragt.
Gewagte Landschaft, wie sie Seherinnen
in Kugeln schauen. Jenes Innen
in das das Daußensein der Sterne jagt.
[Dort tagt der Tod, der draußen nächtig scheint.
Und dort sind alle, welche waren,
mit allen Künftigen vereint
und Scharen scharen sich um Scharen
wie es der Engel meint.]

III

Mit unsern Blicken schließen wir den Kreis,
dass weiß in ihm [die] wirre Spannung schmölze.
Schon richtet dein unwissendes Geheiß
die Säule auf in meinem Schamgehölze.

Von dir gestiftet steht des Gottes Bild
am leisen Kreuzweg unter meinem Kleide;
mein ganzer Körper heißt nach ihm. Wir beide
sind wie ein Gau darin sein Zauber gilt.

Doch Hain zu sein und Himmel um die Herme
das ist an dir. Gieb nach. Damit
der freie Gott inmitten seiner Schwärme
aus der entzückt zerstörten Säule tritt.

IV

Schwindende, du kennst die Türme nicht.
Doch nun sollst du ein[en] Turm gewahren
mit dem wunderbaren
Raum in dir. Verschließ dein Angesicht.
Aufgerichtet hast du ihn
ahnungslos mit Blick und Wink und Wendung.
Plötzlich starrt er von Vollendung,
und ich, Seliger, darf ihn beziehn.
Ach wie bin ich eng darin.
Schmeichle mir, zur Kuppel auszutreten:
um in deine weichen Nächte hin
mit dem Schwung schoßblendender Raketen
mehr Gefühl zu schleudern, als ich bin.

V

Wie hat uns der zu weite Raum verdünnt.
Plötzlich besinnen sich die Überflüsse.
Nun sickert durch das stille Sieb der Küsse
des bittren Wesens Alsem und Absynth.

Was sind wir viel, aus meinem Körper hebt
ein neuer Baum die überfüllte Krone
und ragt nach dir: denn sieh, was ist er ohne
den Sommer, der in deinem Schoße schwebt.
Bist du’s bin ich’s, den wir so sehr beglücken?
Wer sagt es, da wir schwinden. Vielleicht steht
im Zimmer eine Säule aus Entzücken,
die Wölbung trägt und langsamer vergeht.

VI

Wem sind wir nah? Dem Tode oder dem,
was noch nicht ist? Was wäre Lehm an Lehm,
formte der Gott nicht fühlend die Figur,
die zwischen uns erwächst. Begreife nur:
das ist mein Körper, welcher aufersteht.
Nun hilf ihm leise aus dem heißen Grabe
in jenen Himmel, den ich in dir habe:
daß kühn aus ihm das Überleben geht.
Du junger Ort der tiefen Himmelfahrt.
Du dunkle Luft voll sommerlicher Pollen.
Wenn ihre tausend Geister in dir tollen,
wird meine steife Leiche wieder zart.

VII

Wie rief ich dich. Das sind die stummen Rufe,
die in mir süß geworden sind.
Nun stoß ich in dich Stufe ein um Stufe
und heiter steigt mein Samen wie ein Kind.
Du Urgebirg der Lust: auf einmal springt
er atemlos zu deinem innern Grate.
O gieb dich hin, zu fühlen wie er nahte;
denn du wirst stürzen, wenn er oben winkt.

over deze lezing


cover

In de nalatenschap van Rainer Maria Rilke (1875-1926) bevonden zich onder meer fallische hymnen. Ze werden pas in 1956 onder de titel 'Zeven gedichten' gepubliceerd. Ondanks zijn imago van onthecht metafysicus ruimde Rilke in zijn levensvisie een belangrijke plaats in voor de seksualiteit. In zijn Brieven aan een jonge dichter (1903-08) keerde hij zich tegen de onderdrukking ervan door het christendom. En in een brief aan Rudolf Bodländer (1922) schreef hij: 'Stilaan zal men inzien dat hier, en niet in het maatschappelijke of economische, ons huidige grote noodlot zit –, in deze verdringing van de liefdesdaad naar de periferie [...] (als zij al niet in het algemene midden van de wereld staat, wat een onmiddellijk doorbloed en doorstroomd zijn van de wereld met goden tot gevolg zou hebben!)'. (EDS, in: Poëziekrant 2017/1)


Categories
Lezingen Voordracht

Sirenenlied

    van Erik De Smedt
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 27/04/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

Sir
en
en
lied

Sier, sire,
met het oog van je boog
cirkel in circustent
batterij van een burcht
met de wand van je hand
je mijter en je kromstaf
het plat van je graf
de kelk op het blad
de gevallen lepel
van je klepel
en de naald
die verdwaalt
tussen ster en ei
viertand
een stuk land
nauw verwant
met pion naast de kom
kam stomp vierkant
tot het landt
op de balk
sleutel draait
schaar versmaadt
hoek staat te boek
zotskap kromt
beul verstomt
o, 0, O
tot
oneindig
si en la
en re
er is
en
reis,
sire,
henen.


Erik De Smedt
Vormplatvorm
lezing toegevoegd op 2020-04-27 04:58

over deze lezing


cover

Categories
Lezingen Voordracht

Wapen van Ahlen

    van Gertrud Kolmar
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 21/04/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

In keel een gekromde zilverachtige aal
met vleugels en een gouden kroon.

Alles is vreemd in de wereld;
Ik ben begin en einde.
Water dat uit je oog valt,
Scharlaken moordenaarsgave
Besprenkelt mijn gevleugelde handen.
Ik ben de aal −
Kop in kas, kop in kas.
In de ban en vaal −
Kop in kas, kop in kas.
Voorwaar,
Ik dood je.

Ik bevochtig diep een rode grond
Met lieflijk glibberige koelte;
Als ik grijnzend de aardschoot verwond,
Wankelt trillend de molen.

In kamers schuiven de stoelen.

Graag bijt ik in mijn staart;
Zuig aan het slijm, dat natte.
Wat ik doe, is allemansdans;
Men wil zijn eindigheid vatten.

En lukt het niet, moet men het laten.

Eens hupte ik ’s nachts voor een woekeraarshuis,
Fladderend maar zonder voeten.
De oude koppelaarster kroop er morrend uit,
Om mijn kroon daar te groeten

En hoereerde met mij, zoete.

Nu ben ik in beelden verwenst en bestand −
Boven mij ritselen de aren −
En maak nog slechts nu en dan
Dat ze hersenzieke kinderen baren.
Hun moeders zullen ze voeden.
Ik ben de aal −
Kop in kas, kop in kas.
In de ban en vaal −
Kop in kas, kop in kas.
Voorwaar,
Ik dood je.


Gertrud Kolmar
Preußische Wappen
lezing toegevoegd op 2020-04-21 09:22

Vertaling van Wappen von Ahlen door Erik de Smedt:

In Rot ein gerundeter silbriger Aal mit Flügeln
und goldener Krone.

Alles ist seltsam in der Welt;
Ich bin Anfang und Ende.
Wasser, das dir vom Auge fällt,
Mörders Scharlachspende
Netzt meine flügligen Hände.
Ich bin der Aal –
Duck’ dich, duck dich.
Gebannt und fahl –
Duck’ dich, duck’ dich.
Wahrlich.
Ich töt’ dich.

Ich feuchte tief einen roten Grund
Mit lieblich schlüpfriger Kühle;
Quäl’ ich lächelnd den Erdschoß wund,
Wackelt zitternd die Mühle.

In Stuben rücken die Stühle.

Gerne beiß’ ich in meinen Schwanz,
Sauge am Schleim, dem nassen.
Was ich da tu’, ist Allerweltstanz;
Sie will ihr Endliches fassen.

Und kann sie’s nicht, muß sie es lassen.

Einst hüpft’ ich nachts vor Wucherers Haus,
Flatternd, doch ohne Füße.
Die Kuppelgreisin kroch meckernd heraus,
Daß meine Krone sie grüße
Und hurte mit meiner Süße.

Nun bin ich in Bildern verwünscht und gefeit –
Über mir rascheln die Ähren –
Und mache nur noch von Zeit zu Zeit
Hirnkranke Kinder gebären.
Mütter werden Sie nähren.
Ich bin der Aal –
Duck’ dich, duck’ dich.
Gebannt und fahl –
Duck’ dich, duck’ dich.
Wahrlich.
Ich töt’ dich.

over deze lezing


cover

De Duits-joodse dichteres Gertrud Kolmar (1894-1943), omgebracht in Auschwitz, leest het wapenschild van de stad Ahlen en daalt diep af in het afgrondelijke onderbewuste. Het gedicht verscheen in haar bundel Preußische Wappen (1934).


Categories
Lezingen Voordracht

Andy Harlot Andy

    van Rolf Dieter Brinkmann
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 16/04/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

Vanaf een gegeven moment
hou je op slechts een banaan
te eten. Hij is Jean Harlow in
travestie en ziet er zo verlegen

uit wanneer de zijde ruist. De
betekenissen wisselen voortdurend over
en weer. (Nu eens is het een ba-
naan, dan weer niet!) Mijn leven is

ineens met een idee verkort
zegt hij en trilt met
zijn zwarte wimpers op
dezelfde plek. Er volgt een

andere banaan. Hij ontdoet haar
bedachtzaam van de schil en zuigt
erop. De betekenissen wisselen
voortdurend. Hij zegt: wat we zien, is

niet wat we zien en begint
van voren af aan. (Nu eens is het een
banaan, dan weer niet!) En op de-
zelfde oude sofa als ervoor zit

Jean Harlow in travestie. Ze zou
eindelijk willen komen maar kan het niet.
Ze moet tot slot eerst nog een ba-
naan eten die ze niet meer kan vinden.

 

(vertaling door Erik De Smedt van het gelijknamige gedicht
van Rolf Dieter Brinkmann, in: Godzilla, Wolfgang Hake Verlag, Keulen, 1968.)


Rolf Dieter Brinkmann
Ooteoote
lezing toegevoegd op 2020-04-16 10:06

over deze lezing


cover

Categories
Lezingen Voordracht

Vergankelijke schoonheid

    van Christian Hoffmann von Hoffmanswaldau
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 13/04/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

De bleke dood zal met zijn koude hand
Mettertijd langs je zachte borsten strijken /
Het lieflijke koraal van je lippen wijken /
De warme sneeuw van je schouders wordt koud zand /

De zoete vonken van je ogen / de krachten van je hand
Waar al voor valt / zullen met de tijd krachtloos blijken /
Je haar / dat nu nog aan de glans van goud kan reiken /
wordt na dag en jaar slechts een gewone band.

De fraai geplaatste voet / de lieflijke gebaren /
Zullen deels tot stof / deels niets en nietig worden /
Want niemand offert nog aan je goddelijke pracht.

Dit en nog meer ervan moet aan ‘t eind ten onder gaan /
Alleen je hart – dat blijft in eeuwigheid bestaan /
Want de natuur heeft het gemaakt van diamant.

 


Christian Hoffmann von Hoffmanswaldau
n.v.t.

De bleke dood zal met zijn koude hand
Mettertijd langs je zachte borsten strijken /
Het lieflijke koraal van je lippen wijken /
De warme sneeuw van je schouders wordt koud zand /

De zoete vonken van je ogen / de krachten van je hand
Waar al voor valt / zullen met de tijd krachtloos blijken /
Je haar / dat nu nog aan de glans van goud kan reiken /
wordt na dag en jaar slechts een gewone band.

De fraai geplaatste voet / de lieflijke gebaren /
Zullen deels tot stof / deels niets en nietig worden /
Want niemand offert nog aan je goddelijke pracht.

Dit en nog meer ervan moet aan ‘t eind ten onder gaan /
Alleen je hart – dat blijft in eeuwigheid bestaan /
Want de natuur heeft het gemaakt van diamant.

 


Christian Hoffmann von Hoffmanswaldau
tekstbron: n.v.t.
lezing toegevoegd op 2020-04-15 07:20

Vertaling van Vergänglichkeit der Schönheit door Erik de Smedt:

Es wird der bleiche Todt mit seiner kalten Hand
Dir endlich mit der Zeit um deine Brueste streichen /
Der liebliche Corall der Lippen wird verbleichen;
Der Schultern warmer Schnee wird werden kalter Sand /
Der Augen suesser Blitz / die Kraeffte deiner Hand /
Fuer welchen solches faellt / die werden zeitlich weichen /
Das Haar / das itzund kan des Goldes Glantz erreichen /
Tilgt endlich Tag und Jahr als ein gemeines Band.
Der wohlgesetzte Fuß / die lieblichen Gebaerden /
Die werden theils zu Staub / theils nichts und nichtig werden /
Denn opfert keiner mehr der Gottheit deiner Pracht.
Diß und noch mehr als diß muß endlich untergehen /
Dein Hertze kan allein zu aller Zeit bestehen /
Dieweil es die Natur aus Diamant gemacht.

over deze lezing


cover

Christian Hoffmann von Hoffmannswaldau (1616 – 1679) :  Duitse dichter van de Barokperiode bekend om zijn galante stijl met extravagante metaforen, kundige retoriek en onverbloemde erotiek


Nu is al het gras opgegeten

    van Bertolt Brecht
in een lezing van Erik De Smedt




Download dit geluidsbestand

tekst

Ja, mijn besten, nu is al het gras opgegeten
en op de continenten doet de ronde dat het leven
niet meer waard is geleefd te worden.
De rassen zijn oud, je mag niets meer van ze verwachten,
de kleine planeet is snel en afgeknaagd
het is allemaal al voorbij,
een tijdlang restte er alleen wat geklets.
We zijn maar een klein laat geslacht van ooggetuigen
en de tijd zal heten:
het rubberen tijdperk.

 


Bertolt Brecht
Ooteoote

Ja, mijn besten, nu is al het gras opgegeten
en op de continenten doet de ronde dat het leven
niet meer waard is geleefd te worden.
De rassen zijn oud, je mag niets meer van ze verwachten,
de kleine planeet is snel en afgeknaagd
het is allemaal al voorbij,
een tijdlang restte er alleen wat geklets.
We zijn maar een klein laat geslacht van ooggetuigen
en de tijd zal heten:
het rubberen tijdperk.

 


Bertolt Brecht
tekstbron: Ooteoote
lezing toegevoegd op 2020-04-09 09:31

Vertaling van Ja, meine Lieben, jetzt ist alles Gras aufgefressen door Erik de Smedt:

Ja, meine Lieben, jetzt ist alles Gras aufgefressen
Und auf den Kontinenten spricht es sich herum, daß das Leben nicht mehr
Wert ist, gelebt zu werden
Die Rassen sind alt, man darf nichts mehr von ihnen erwarten
Der kleine Planet ist flink und abgenagt
Es ist alles schon herum, es blieb nur ein Gerede davon eine Zeitlang
Wir sind nur ein spätes Geschlechtlein von Augenzeugen
Und die Zeit wird heißen
Die Gummizeit


Uit: Bertolt Brecht, Werke. Große kommentierte Berliner und Frankfurter Ausgabe. Band 13 – Gedichte 3. Gedichte und Gedichtfragmente 1913-1927. Suhrkamp Verlag, Frankfurt a.M., 1993.

 

over deze lezing


cover

vertaald door Erik De Smedt


Categories
Lezingen Voordracht

Kom! het opene in

    van Friedrich Hölderlin
in een lezing van Erik De Smedt




Download dit geluidsbestand

tekst

Kom! het opene in, mijn vriend! wel glanst vandaag slechts weinig
tot hier beneden en eng sluit de hemel ons in.
Noch de bergen noch de kruinen van het woud
zijn opgegaan zoals we hoopten en leeg rust van gezang de lucht.
Droef is het vandaag, gangen en stegen sluimeren en bijna
heb ik de indruk dat het is als in het loden tijdperk.

Mooier moet het zeker worden wanneer

 


Friedrich Hölderlin
Ooteoote

Kom! het opene in, mijn vriend! wel glanst vandaag slechts weinig
tot hier beneden en eng sluit de hemel ons in.
Noch de bergen noch de kruinen van het woud
zijn opgegaan zoals we hoopten en leeg rust van gezang de lucht.
Droef is het vandaag, gangen en stegen sluimeren en bijna
heb ik de indruk dat het is als in het loden tijdperk.

Mooier moet het zeker worden wanneer

 


Friedrich Hölderlin
tekstbron: Ooteoote
lezing toegevoegd op 2020-04-07 02:40

Vertaling van Komm! ins Offene, Freund! door Erik de Smedt:

aus: Der Gang aufs Land

An Landauer

Komm! ins Offene, Freund! zwar glänzt ein Weniges heute
Nur herunter und eng schließet der Himmel uns ein.
Weder die Berge sind noch aufgegangen des Waldes
Gipfel nach Wunsch und leer ruht von Gesange die Luft.
Trüb ists heut, es schlummern die Gäng und die Gassen und fast will
Mir es scheinen, es sei, als in der bleiernen Zeit.
[…]

Schöner freilich muß es , werden wenn

vervolg zie: http://www.teeweg.de/de/varia/hoelder/gang-land.html

over deze lezing


cover

De tekst is een fragment uit de onvoltooide elegie ‘Der Gang aufs Land. An Landauer’ (1800-01, v. 1-6, v. 41) van Friedrich Hölderlin (1770-1843).
Vertaling: Erik de Smedt.