Wapen van Ahlen

    van Gertrud Kolmar
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 21/04/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

In keel een gekromde zilverachtige aal
met vleugels en een gouden kroon.

Alles is vreemd in de wereld;
Ik ben begin en einde.
Water dat uit je oog valt,
Scharlaken moordenaarsgave
Besprenkelt mijn gevleugelde handen.
Ik ben de aal −
Kop in kas, kop in kas.
In de ban en vaal −
Kop in kas, kop in kas.
Voorwaar,
Ik dood je.

Ik bevochtig diep een rode grond
Met lieflijk glibberige koelte;
Als ik grijnzend de aardschoot verwond,
Wankelt trillend de molen.

In kamers schuiven de stoelen.

Graag bijt ik in mijn staart;
Zuig aan het slijm, dat natte.
Wat ik doe, is allemansdans;
Men wil zijn eindigheid vatten.

En lukt het niet, moet men het laten.

Eens hupte ik ’s nachts voor een woekeraarshuis,
Fladderend maar zonder voeten.
De oude koppelaarster kroop er morrend uit,
Om mijn kroon daar te groeten

En hoereerde met mij, zoete.

Nu ben ik in beelden verwenst en bestand −
Boven mij ritselen de aren −
En maak nog slechts nu en dan
Dat ze hersenzieke kinderen baren.
Hun moeders zullen ze voeden.
Ik ben de aal −
Kop in kas, kop in kas.
In de ban en vaal −
Kop in kas, kop in kas.
Voorwaar,
Ik dood je.


Gertrud Kolmar
Preußische Wappen
lezing toegevoegd op 2020-04-21 09:22

Vertaling van Wappen von Ahlen door Erik de Smedt:

In Rot ein gerundeter silbriger Aal mit Flügeln
und goldener Krone.

Alles ist seltsam in der Welt;
Ich bin Anfang und Ende.
Wasser, das dir vom Auge fällt,
Mörders Scharlachspende
Netzt meine flügligen Hände.
Ich bin der Aal –
Duck’ dich, duck dich.
Gebannt und fahl –
Duck’ dich, duck’ dich.
Wahrlich.
Ich töt’ dich.

Ich feuchte tief einen roten Grund
Mit lieblich schlüpfriger Kühle;
Quäl’ ich lächelnd den Erdschoß wund,
Wackelt zitternd die Mühle.

In Stuben rücken die Stühle.

Gerne beiß’ ich in meinen Schwanz,
Sauge am Schleim, dem nassen.
Was ich da tu’, ist Allerweltstanz;
Sie will ihr Endliches fassen.

Und kann sie’s nicht, muß sie es lassen.

Einst hüpft’ ich nachts vor Wucherers Haus,
Flatternd, doch ohne Füße.
Die Kuppelgreisin kroch meckernd heraus,
Daß meine Krone sie grüße
Und hurte mit meiner Süße.

Nun bin ich in Bildern verwünscht und gefeit –
Über mir rascheln die Ähren –
Und mache nur noch von Zeit zu Zeit
Hirnkranke Kinder gebären.
Mütter werden Sie nähren.
Ich bin der Aal –
Duck’ dich, duck’ dich.
Gebannt und fahl –
Duck’ dich, duck’ dich.
Wahrlich.
Ich töt’ dich.

over deze lezing


cover

De Duits-joodse dichteres Gertrud Kolmar (1894-1943), omgebracht in Auschwitz, leest het wapenschild van de stad Ahlen en daalt diep af in het afgrondelijke onderbewuste. Het gedicht verscheen in haar bundel Preußische Wappen (1934).


%d bloggers like this: