Halve Nacht

door Paul Celan


(tekstbron: )

Halve nacht. Met de droomdolken geniet in de sproeiende ogen.
Schreeuw niet van pijn: als doeken klapperen de wolken.
Een tapijt van zijde, zo was hij tussen ons gespannen, dat er gedanst kon worden van donker naar donker.
Een zwarte fluit sneden ze ons uit levend hout, en daar komt de danseres.
Uit zeeschuim gesponnen vingers dompelt ze ons in de ogen:
wil er iemand hier nog huilen?
Niemand. Zo wervelt ze dronken daar en de vurige pauk klinkt luid.
Ringen werpt ze ons toe, we vangen ze op met de dolken.
Huwt zij ons? Als scherven klinkt het, en nu weet ik het weer:
jij stierf niet
de malvekleurige dood.


Geregistreerde lezing(en) van deze tekst:
Halbe Nacht