Tot een kat

    van Charles Cros
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 05/06/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

Witte kat, helemaal ongevlekt,
Mag ik je in dit vers even vragen
Welk geheim je groene ogen dragen,
Welk sarcasme je snor bedekt?

Je slaat ons gade, denkt in ’t geheim
Dat onze bleke wangen, dat onze lippen
Van dwaze koorts hun kleur kwijt zijn,
Dat onze holle ogen niet kunnen tippen

Aan je snoetje met de neus aan ’t eind
Rozig als een tepelknopje,
Aan je oren die met hun dessin
Trots je statig kopje kronen.

Waarom ben je altijd zo sereen?
Ontsluit jij misschien de problemen
Die ons, die niet zijn bij te benen,
Lente- en zomerpret benemen?

Bij de dood die ons bedreigt,
Of kat of mens, subtieler altijd
Dan onze kennis, weet soms je flair
Waar de verdwenen schoonheid blijft,

Waarheen de gedachten gaan, waarheen
De vleselijke heerlijkheden van weleer? …
Kat, draai toch je pupillen naar de rand;
Te veel zwart zie ik aan de binnenkant.


Charles Cros
'Mijnheer Cros'
lezing toegevoegd op 2020-06-14 07:48

Vertaling van À une chatte door Erik de Smedt:

Chatte blanche, chatte sans tache,
Je te demande, dans ces vers,
Quel secret dort dans tes yeux verts,
Quel sarcasme sous ta moustache.

Tu nous lorgnes, pensant tout bas
Que nos fronts pâles, que nos lèvres
Déteintes en de folles fièvres,
Que nos yeux creux ne valent pas

Ton museau que ton nez termine,
Rose comme un bouton de sein,
Tes oreilles dont le dessin
Couronne fièrement ta mine.

Pourquoi cette sérénité ?
Aurais-tu la clé des problèmes
Qui nous font, frissonnants et blêmes,
Passer le printemps et l’été ?

Devant la mort qui nous menace,
Chats et gens, ton flair, plus subtil
Que notre savoir, te dit-il
Où va la beauté qui s’efface,

Où va la pensée, où s’en vont
Les défuntes splendeurs charnelles ?
Chatte, détourne tes prunelles ;
J’y trouve trop de noir au fond.

over deze lezing


cover

(ill. NKdeE 2020, met obligate excuses aan de kattengemeenschap)


Categories
Lezingen Voordracht

Wapen van Ahlen

    van Gertrud Kolmar
in een lezing van Erik De Smedt
opgenomen op 21/04/2020



Download dit geluidsbestand

tekst

In keel een gekromde zilverachtige aal
met vleugels en een gouden kroon.

Alles is vreemd in de wereld;
Ik ben begin en einde.
Water dat uit je oog valt,
Scharlaken moordenaarsgave
Besprenkelt mijn gevleugelde handen.
Ik ben de aal −
Kop in kas, kop in kas.
In de ban en vaal −
Kop in kas, kop in kas.
Voorwaar,
Ik dood je.

Ik bevochtig diep een rode grond
Met lieflijk glibberige koelte;
Als ik grijnzend de aardschoot verwond,
Wankelt trillend de molen.

In kamers schuiven de stoelen.

Graag bijt ik in mijn staart;
Zuig aan het slijm, dat natte.
Wat ik doe, is allemansdans;
Men wil zijn eindigheid vatten.

En lukt het niet, moet men het laten.

Eens hupte ik ’s nachts voor een woekeraarshuis,
Fladderend maar zonder voeten.
De oude koppelaarster kroop er morrend uit,
Om mijn kroon daar te groeten

En hoereerde met mij, zoete.

Nu ben ik in beelden verwenst en bestand −
Boven mij ritselen de aren −
En maak nog slechts nu en dan
Dat ze hersenzieke kinderen baren.
Hun moeders zullen ze voeden.
Ik ben de aal −
Kop in kas, kop in kas.
In de ban en vaal −
Kop in kas, kop in kas.
Voorwaar,
Ik dood je.


Gertrud Kolmar
Preußische Wappen
lezing toegevoegd op 2020-04-21 09:22

Vertaling van Wappen von Ahlen door Erik de Smedt:

In Rot ein gerundeter silbriger Aal mit Flügeln
und goldener Krone.

Alles ist seltsam in der Welt;
Ich bin Anfang und Ende.
Wasser, das dir vom Auge fällt,
Mörders Scharlachspende
Netzt meine flügligen Hände.
Ich bin der Aal –
Duck’ dich, duck dich.
Gebannt und fahl –
Duck’ dich, duck’ dich.
Wahrlich.
Ich töt’ dich.

Ich feuchte tief einen roten Grund
Mit lieblich schlüpfriger Kühle;
Quäl’ ich lächelnd den Erdschoß wund,
Wackelt zitternd die Mühle.

In Stuben rücken die Stühle.

Gerne beiß’ ich in meinen Schwanz,
Sauge am Schleim, dem nassen.
Was ich da tu’, ist Allerweltstanz;
Sie will ihr Endliches fassen.

Und kann sie’s nicht, muß sie es lassen.

Einst hüpft’ ich nachts vor Wucherers Haus,
Flatternd, doch ohne Füße.
Die Kuppelgreisin kroch meckernd heraus,
Daß meine Krone sie grüße
Und hurte mit meiner Süße.

Nun bin ich in Bildern verwünscht und gefeit –
Über mir rascheln die Ähren –
Und mache nur noch von Zeit zu Zeit
Hirnkranke Kinder gebären.
Mütter werden Sie nähren.
Ich bin der Aal –
Duck’ dich, duck’ dich.
Gebannt und fahl –
Duck’ dich, duck’ dich.
Wahrlich.
Ich töt’ dich.

over deze lezing


cover

De Duits-joodse dichteres Gertrud Kolmar (1894-1943), omgebracht in Auschwitz, leest het wapenschild van de stad Ahlen en daalt diep af in het afgrondelijke onderbewuste. Het gedicht verscheen in haar bundel Preußische Wappen (1934).