Zeven gedichten

door Rainer Maria Rilke

in een vertaling van Erik de Smedt
(tekstbron: Poëziekrant)

I

Opeens grijpt de rozenplukster
de volle knop van zijn levenslid
en na het schrikken door het verschil
glijden de [zoele] tuinen in haar weg

II

Je hebt, jij zomer die er plotseling bent,
het zaad van mijn onverhoedse boom doen rijzen.
(Vanbinnen ruime, voel in jou de boog
des nachts, waarin hij mondig is.)
Nu verhief hij zich naar het firmament,
een spiegelbeeld dat naast bomen staat.
O vel hem zodat hij, op zijn kop gezet
in je schoot, de tegen-hemel kent
waarin hij werkelijk opschiet en werkelijk klimt.
Gewaagd het landschap dat waarzegsters
in kristallen bollen zien. Dat binnenste waarin
het buiten zijn van de sterren jaagt.
[Daar zit de dood die buiten nachtelijk lijkt.
En daar zijn allen die ooit waren
met allen die komen zullen vereend
en scharen scharen zich rond scharen
net zoals de engel meent.]

III

Met onze blikken sluiten we de kring
tot warrige spanning er wit in smelt.
Reeds richt jouw onwetende bevel
de zuil op in mijn schaamgewas.

Door jouw toedoen staat het godenbeeld
bij de stille kruisweg onder mijn gewaad;
mijn hele lijf draagt zijn naam. Wij tweeën
zijn als een gouw waarin het toveren heerst.

Maar bos te zijn en hemel om de herme
is jouw taak. Laat los. Opdat
de vrije god te midden van zijn zwermen
uit de verrukt vernielde zuil tevoorschijn treedt.

IV

Schuchtere, van torens weet je niets.
Maar nu zul je een toren ervaren
met die wonderbare
ruimte in je. Sluit je gezicht.
Opgericht heb je hem
argeloos met blik en wenk en wenden.
Plots reikt hij van voltooiing in de hoogte,
en ik, ik zalige, mag hem betrekken.
Ach, hoe eng is het me daarin.
Streel me nu om uit de koepel los te spetten,
om in je zachte nachten
met de kracht van schootverblindende raketten
meer gevoel te slingeren dan ik ben.

V

Hoe heeft de al te wijde ruimte ons verdund.
Plots komt de golf van overvloed tot rust.
Nu sijpelt door de kalme zeef van kussen
alsem van het bittere wezen en absint.

Wat zijn we veel, uit mijn lichaam tilt
een nieuwe boom de overvolle kruin
en reikt naar jou: want kijk, wat is hij zonder
de zwevende zomer in jouw schoot.
Ben jij het ben ik het die wij zozeer verrukken?
Wie zegt het want we vervloeien. Misschien staat
in de kamer een zuil van vervoering
die welving draagt en langzamer vergaat.

VI

Wie zijn we nabij? De dood of dat
wat nog niet is? Wat betekende leem op leem
als de god niet voelend de gestalte vormde
die opgroeit tussen ons. Begrijp toch:
dit is mijn lichaam dat is opgestaan.
Help het nu zachtjes uit het hete graf
vandaan de hemel in die jij mij gaf:
dat driest uit hem het overleven daagt.
Jij jonge plek van diepe hemelvaart.
Jij donkere lucht vol zomerzoete pollen.
Wanneer hun duizend geesten in je dollen
wordt dat stijve lijk van me weer mals.

VII

Hoe ik je riep. Het zijn de stomme kreten
die in mij lieflijk zijn geworden.
Nu stoot ik in je trede na trede
en opgewekt klimt mijn zaad net als een kind.
Jij oergebergte van genot: opeens springt
het buiten adem naar je binnenste kam.
O geef je, geef je om te voelen hoe het kwam;
als het boven wenkt, dan volgt je val.


originele tekst: Sieben Gedichte Geregistreerde lezing(en) van deze tekst:
Zeven gedichten