LAIS CXV-CXXV

door NKdeE

CXV
Geef het regen, het wolkt nat in haar hand;
geef het wind, het neemt heur haar in de mond;
geef het zon, het glijdt van haar af als zand;
geef het bliksem, het wordt vuur in de wond;
geef het vorst, het vriest zich vast aan haar grond;
geef het spraak, het prevelt haar woorden;
geef het vrijheid, het brengt haar de koorden:
het is niets dan LAIS waar het ook gaat,
het is niets dan haar klank en akkoorden,
het is niets tot LAIS zich lezen laat.

CXVI
Het naakte raakt: rein bestaan, diep verval
is het van haar, een droge waterval.
En wat? met wie? dit hier? waarom die val?
In de gedachten rot het echte al,
stoffige tongen verslikken de gal,
verbeten weeklagen, pap zonder mal,
grillige waan, gelal van niemendal.
Gewijde berg was het, boven haar dal,
de som ervan onmogelijk getal.
LAIS: heet ijs waarin het branden zal.
CXVII
Het is het kwijt maar het blijft toch gezocht.
Er is een meid, van plezier en van poen,
de geur van geld in haar boezem, verkocht
als storm, rijzende, vallende en toen,
het vindt het verband, toendra en zoen.
Tomeloos. Alsof Er ooit tomen had.
Adelijk, dodelijk, glad als een pad,
met kennis in de overdracht, een kracht
die kan stellen, poseren, een zwart gat
dat Niets wil, enkel het nu, iets na acht…

CXVIII
Het heeft plezier, vermomd als ongeluk.
Vreemde gestalten op jacht in Arras:
een nachtjacht op haar, met gouddraad en stuk.
Schaduw die strompelt, een waas in een plas,
lijf dat geprangd zit, ziel die nooit was.
Dwaas is het lijden dat zichzelf niet ziet,
angstig verdriet, versleutelde haat, niet
dan ’t verwaande wijzen der dwalenden:
“Geloof in de kwaal, verdwaal in ’t verdriet,
sterf zonder daad, aanschouw de Stralende.”
CXIX
Het was nog halfgod toen. Weinig nadien
ging het gans fout. Mensen beslopen het
kreupel’ hert, roken eigen angst. Kom, dien
ons, zo raadde men, verlaat het verzet,
verdien wat je wil. deel met pret je bed.
Het hogere toebehoren bekoort
echter het echte zoals het ook hoort:
wat het was, is zichzelf wel vergeten,
maar hond was het niet. Doe maar de moord,
sprak het, ‘k vind haar wel t’rug aan de Lethe.

CXX
Het droomt weer in verzen. Haar stem is zacht,
geluid als glans van het omvattende.
Dus het stoot haar aan met de naakte kracht.
Haar slaken verstilt in het laken, en de
klachten der doden verstommen en de
de dag breekt aan, bloed-bleke aurora,
inzicht in het al, doodshoofd met aura,
lijkwitte smurrie, gestremde beweging,
zweet, koud, heet. Wat nu Frans, zonder Laura?
De ontzetting wekt ontzet d’ ontzetting… 

CXXI
Het ziet tragedie evident en klaar,
in schichtenbundels slinks verstrengende
schaduwen, gitzwart in het licht op haar
versterkte vesting, d’ opklaterende
druipmeermin op rots, met dartelende
neerval van water in ’t vurige haar.
Huid wil al haperen, hoop is al daar,
blanke flitsen in de woelstromen
verzot op kabaal, glimpen geil gebaar,
blik waarin geen stilstand ooit kan komen.

CXXII
Het sneed vannacht diep in de gedachten:
dit is goed, dat slecht; dat was het, dit zij.
Zoiets viel van het wel te verwachten
maar ’t doet heus wel pijn om het zo te zijn
dus dichtte het maar vlug de kerf met wijn.
De waarheid is dat het nergens wat ziet,
dat het niets wil omarmen omdat het niets ziet
dan een horde bloeddorstige honden:
razernij bijt in ’t lijf dat dronken giet
’t geslechte goed, vergoeding voor wonden.

CXXIII
Het heeft haar lief, dit lief, zoals de zon
houdt van haar stralen, het draait haar om en
om en zij wordt bol, glinster die het spon
rondom, van de belofte de dromen,
van het echte de schijn, onvolkomen,
en van leegte zich werkelijk bewust,
gesponnen rag die het tot waarheid kust.
Terwijl het slaafs met woord en laster woelt
is het LAIS die beiden dwingt tot lust:
het geeft zijn lief wat het voor haar bedoelt.

CXXIV
In het rot van het zijn vieren de nijd
en de haat hun feest van angst en venijn:
de hebzucht eindigt in honger en spijt.
Kom, kind, stap uit je kleed, lach om de pijn:
laat sterven een dans zijn, zon in jouw wijn.
Breek lachend een hand af, doe het een bod,
laat lust niet bederven tot je verrot.
Koop je vrij uit het spel, klim uit je rol,
hun einde loopt af, verwerp dus dat lot:
de hel was hun hol, de hemel hun bol.

CXXV
Begrijp het ook in termen van oorlog:
neem van het ene, grijp het andere.
Verneuk het lichaam, schuil blind in het zog
van vuurstorm en doem, mijdt de anderen.
De tovenaar komt, niets kan veranderen
noodlot en land. De kloppende waarheid
breekt kinderschedels, nagelt spijt met nijd,
dorst bloed uit het erf, dolkt wetten in ’t hart.
Begrijp dat het niets is, niemand, en lijd:
zo wit dat het was, zo dood is het zwart.


door NKdeE


tekstbron: LAIS
gebruikt in uitzending RK 2021-04-03

Stuur uw bijdragen (enkel tekst aub, geen prentjes) voor de WEEKBLADEN naar weekbladen@radioklebnikov.be

Ontdek onze CD-collectie
op BANDCAMP!