Het goddelijke

door Johann Wolfgang Goethe

in een vertaling van Erik de Smedt
(tekstbron: n.v.t.)

Edel weze de mens,
Hulpvaardig en goed!
Want dat alleen
Onderscheidt hem
Van alle wezens
Die wij kennen.

Heil aan de onbekende
Hogere wezens
Die wij vaag vermoeden!
Moge de mens op hen gelijken!
Zijn voorbeeld moge ons leren
Aan hen te geloven.

Want gevoelloos
Is de natuur:
De zon schijnt
Over goeden en kwaden,
En voor de misdadiger
Schitteren als voor de beste
De maan en de sterren.

Wind en stromen,
Donder en hagel
Gaan bruisend hun weg
En grijpen
Voorbij snellend
De een na de ander.

Ook het geluk
Loopt tastend tussen de menigte,
Grijpt nu eens de gekrulde
Onschuld van de knaap,
Dan weer de kale
Schuldige schedel.

Volgens eeuwige, ijzeren
Grote wetten
Moeten wij allen
De kringen van ons
Bestaan voltooien.

Alleen de mens slechts
Vermag het onmogelijke:
Hij onderscheidt,
Kiest en oordeelt;
Hij kan het ogenblik
Duur verlenen.

Hij alleen mag
De goede belonen,
De boze bestraffen,
Genezen en redden,
Al wat dwaalt en doolt
Nuttig verbinden.

En wij vereren
De onsterfelijken
Als waren ze mensen,
Als deden ze in het groot
Wat de beste in het klein
Doet of zou willen doen.

De edele mens
Weze hulpvaardig en goed!
Onvermoeibaar moge hij scheppen
Wat nuttig en juist is,
Weze hij ons een voorbeeld
Van die vaag vermoede wezens!


originele tekst: Das Göttliche Geregistreerde lezing(en) van deze tekst:
Het goddelijke