De steen uit de zee

door Paul Celan


(tekstbron: )

De steen uit de zee

Het witte hart van onze wereld, we verloren het geweldloos heden omstreeks het uur van het vergeelde maïsblad:
een bolletje kluwen, zo rolde het ons licht uit de handen.
Dus bleef er ons niets dan het spinnen van het nieuwe, de rossige wol van de
slaap bij het zandige graf van de droom:
geen  hart meer, maar hoofdhaar toch van de steen uit de diepte,
de schamele tooi van zijn voorhoofd dat mijmert over schelpen en golf.

Misschien dat aan de poort van die stad in de lucht daar een nachtwil hem ophoogt, hem zijn oostelijk oog ontsluit boven ons huis, waar wij liggen,
met het zwart van de zee aan de mond en met tulpen uit Holland in het haar.
Lanzen draagt men hem voor, zo droegen wij droom, zo rolde ons ’t witte hart van onze wereld weg. Zo kreeg hij ’t krullende
spinsel aan zijn hoofd: een zeldzame wol,
mooi waar het hart was.

O kloppen dat kwam en verdween! In ‘t eindige waaien de sluiers.


Geregistreerde lezing(en) van deze tekst:
Der Stein aus dem Meer