BARGELD

door Adriána Kobór

Terwijl je aan ’t neuken bent in je slaap, verspeelt de toestand van een barbaars waanbeeld
zijn overigens ongeoorloofde ‘godschap’: je reclameert enkel om reclame en antireclame te kunnen maken. Je gooit bloemkoolroosjes in de kolenkelder omdat je je verveelt. Wat schattig is dat…:
eenzaamheid gemengd met een ritueel van netheid.

Zo onschuldig, bloos je boven het sanitair,
in de hoop op vernieuwbare energie,
en kust mijn alleen-staan zo honingvrij dat
zelfs de psychoses in de kast…
Het doorsteekt de matras,
met een kwajongensstreek, al het geld
dat verdeeld moet worden:
verliezen is winnen, doch mijn instinct is om niet te … (((winnen)))

Ik moet je teniet. De revolver ligt klaar in het handschoenenkastje, maar ik bedenk me:
leun achteruit en zet mijn benen omhoog; ik spartel
van onlust maar ik bespaar je de kogel
en het restje van deze onschuld,
je waanzin om ooit of nooit tegen de prijs van zelfdestructie jezelf
wit te mogen wassen, ’t verbleken,
in kamer 8034. Ik zweer dat ik het ben geweest
die het had uitgeblazen, die op de deur klopt…,
en al dat kaarsvet over het boek
wanneer jij me uiteindelijk doodschiet uit nijd.

De auto vertrekt. Ik ben in de kamer maar niet dood.
Ik ben niet in de kamer maar wel dood. Mijn dromen
leunen zich achteruit, of liggen voor mij …?,
asfaltzwart is de weg die wegteert
en de mesmer van een klezmer:
waarin ik je niet meer op voorhand ‘herken’,
in een gebaar van een verloren voertuig
in het metafoor van een wapen — de eenvoud
van geweld vermenigvuldigd met ons tweeën,
een zwaar zwaard geslagen, de tijd
die het Russisch en het Japans
tegelijk volledig begrijpt en spreekt… ,
en ik: als reïncarnatietoestel (…) —
De kool achtergelaten op de besneeuwde straat —
een achterkamer
in een achterhuis
en de vogels die vogelen onder het raam;
begraven onder mijn afwezige toespraak,
het zoete verhemelte dat verbrijzeld kreukt: in
een mond
voor eeuwig
en eeuwenlang.

Ik doe de deur niet open. Dat is een feit, een leugen,
het bagatelliseren van dit welomschreven probleem;
van Conrad tot Roth, Wagneriaans, zelfs.
Mijn overgroot oma op het einde
koopt geen diamanten in Tel-Aviv.
Ik zie de zee voor de eerste keer in Haifa. De tweede
keer is al niet meer noemenswaardig.
San Francesco in San Francisco.
De routers & de pipelines.

Ik wil je doder dan gestreken. Naast al de andere mogelijkheden die achter deze
gesloten deur bestaan en (beslaan de ruiten van de auto, dan rijden we zo wel naar
een Carglass® — rituelen na de eerste sneeuw
die voor het blote oog opzichtig wegsmelt/

ik zie je juist wanneer je al ‘klaar bent’; en in feite,
nadat de vertraagde vrachttreinen ons zicht
al hadden gepasseerd, leunt het perron
tegen krijtende lijven
(een achtergrond, een ‘wegspel’)

ik: nog met het taartbeslag op mijn gezicht — (en de boord als een frisbee zonder hond
of jij —
nadat je
als Gomorrah —/

Enkel de nacht blijft slapen.


door Adriána Kóbor

Back to CONTENTS


tekstbron: inzending ontvangen op 26/10/2021
opgenomen in WEEKBLADEN #57 - MOROSE
Geregistreerde lezing(en) van deze tekst:
BARGELD - AK / TAV 5 - NKdeE
Stuur uw bijdragen (enkel tekst aub, geen prentjes) voor de WEEKBLADEN naar weekbladen@radioklebnikov.be

Ontdek onze CD-collectie
op BANDCAMP!