RK 2021-10-16

RK 2021-10-09

RK 2021-07-03

RK 2021-06-19

RADIO KLEBNIKOV
RK 2021-06-19
/

RK 2021-06-12

RADIO KLEBNIKOV
RK 2021-06-12
/

RK 2021-05-29

RADIO KLEBNIKOV
RK 2021-05-29
/

RK 2021-05-22

RADIO KLEBNIKOV
RK 2021-05-22
/

RK 2021-05-15

RADIO KLEBNIKOV
RK 2021-05-15
/

RK 2021-05-08

RK 2021-05-01

RADIO KLEBNIKOV
RK 2021-05-01
/

RK 2021-04-24

RADIO KLEBNIKOV
RK 2021-04-24
/

RK-2021-04-10

RK 2021-04-03

RK 2021-03-13

Categories
Angelika leest Celan

uit ‘Lichtzwang’ deel VI

Download het geluidsbestand van deze lezing (mp3)

    van Paul Celan
in een lezing van Angelika Hulsmans
met Geert Huybens (gitaar)




tekst

SPERRIGES MORGEN
ich beiße mich in dich, ich schweige mich an dich,

wir tönen,
allein,

pastos
vertropfen die Ewigkeitsklänge,
durchquäkt
von heutigem
Gestern,

wir fahren,

groß
nimmt uns der letzte
Schallbecher auf:

den beschleunigten Herzschritt
draußen
im Raum
bei ihr, der Erd-
achse.


Paul Celan
A. Englund, Still Songs: Music In and Around the Poetry of Paul Celan, London 2012


MERKBLÄTTER-SCHMERZ,
beschneit, überschneit:

in der Kalenderlücke
wiegt ihn, wiegt ihn
das neugeborene
Nichts.


Paul Celan
Pierre Joris - Paul Celan, Breathturn into Timestead: The Collected Later Poetry: A Bilingual Edition


MERKBLÄTTER-SCHMERZ,
beschneit, überschneit:

in der Kalenderlücke
wiegt ihn, wiegt ihn
das neugeborene
Nichts.


Paul Celan
tekstbron: Pierre Joris - Paul Celan, Breathturn into Timestead: The Collected Later Poetry: A Bilingual Edition

lezing toegevoegd op 2020-04-17 06:09

over deze lezing


cover

Angelika Hulsmans leest drie teksten uit het slotdeel van Lichtzwang (1970)
Gitaar: Geert Huybens


Ontdek onze CD-collectie
op BANDCAMP!

Corona /Heaven is a beautiful place

Download het geluidsbestand van deze lezing (mp3)

    van Paul Celan
in een lezing van Angelika Hulsmans, Arnout Camerlinckx and Sabine Gillis




tekst

Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehn:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles,
wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, sie sehen uns zu von der Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, daß es Zeit wird.

Es ist Zeit.


Paul Celan
Platform P.L.e.E.


Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehn:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles,
wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, sie sehen uns zu von der Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, daß es Zeit wird.

Es ist Zeit.


Paul Celan
tekstbron: Platform P.L.e.E.

lezing toegevoegd op 2020-04-16 11:37

over deze lezing


cover

Schilderij: Ilse Derden
Fotografie, montage en productie: Arnout Camerlinckx
Geluid: Radio Klebnikov (Angelika Hulsmans-Thulke leest Corona van Paul Celan met zang van Sabine Gillis en Arnout Camerlinckx)


Ontdek onze CD-collectie
op BANDCAMP!

Nostradamus

Download het geluidsbestand van deze lezing (mp3)

    van Paul Snoek
in een lezing van Dirk Vekemans
opgenomen op 11/01/2020



tekst

Nostradamus

I

Mijn hielen aan de koele tegels des waters
en de maan door mijn oorschelp verduisterd,
zo durf ik rusten in de gleuf der glazen heuvels,
waarin de nacht mij als een zucht weerkaatst,
want waarlijk, een kus is mijn enige zintuig.

En zacht, als zilver dat men bijna aanraakt,
volbreng ik verzadigd de werken der goden.

Dit is mijn longen ontladen en drinken en
tussen adem en schaduw bewonderend voelen
hoe mijn handen angstvol in hun warme holte
de koude vingers van hun schepping strelen.

 

II

Het is een droom, voortvluchtig als water,
het korte glimmen van een mantelhaak,
het bijna horen zingen van een vreemde vogel,
iets dat ik mij enkel ‘s winters herinner.

Het is de droom dat ik tover met echo’s
dat ik doorzichtig het water weerkaats
en het water niet naboots,
dat de dauw die in mijn neusgang stolt
de bloem beweent die ik mij heb verbeeld,
dat de kleur die aan mijn vingers kleeft
aan de vleugel ontbreekt van de vlinder
die ik zag met het hart van mijn oog.

Het is de droom dat ik droomde.

III

Wanneer de ijsprins mij verlaat
en mijn borst zich bevrijdt van zijn schuddende ebbe,
wanneer ik mij wond aan de pegels der stilte
of aan het laatste slurpen van het daglicht,
het is dan dat een god mijn lichaam bewoont.

Het is wanneer ik hem vluchtend benader
en op zijn schouder rozen kus of soms
mijn mond laat rusten als een munt
dat ik mij uitwis en kortstondig glinster
als de ster, vóór zij in zee valt.

Het is wanneer ik even sterf
dat ik hem eeuwig liefheb en vallend bewonder.


Paul Snoek
DBNL


Nostradamus

I

Mijn hielen aan de koele tegels des waters
en de maan door mijn oorschelp verduisterd,
zo durf ik rusten in de gleuf der glazen heuvels,
waarin de nacht mij als een zucht weerkaatst,
want waarlijk, een kus is mijn enige zintuig.

En zacht, als zilver dat men bijna aanraakt,
volbreng ik verzadigd de werken der goden.

Dit is mijn longen ontladen en drinken en
tussen adem en schaduw bewonderend voelen
hoe mijn handen angstvol in hun warme holte
de koude vingers van hun schepping strelen.

 

II

Het is een droom, voortvluchtig als water,
het korte glimmen van een mantelhaak,
het bijna horen zingen van een vreemde vogel,
iets dat ik mij enkel ‘s winters herinner.

Het is de droom dat ik tover met echo’s
dat ik doorzichtig het water weerkaats
en het water niet naboots,
dat de dauw die in mijn neusgang stolt
de bloem beweent die ik mij heb verbeeld,
dat de kleur die aan mijn vingers kleeft
aan de vleugel ontbreekt van de vlinder
die ik zag met het hart van mijn oog.

Het is de droom dat ik droomde.

III

Wanneer de ijsprins mij verlaat
en mijn borst zich bevrijdt van zijn schuddende ebbe,
wanneer ik mij wond aan de pegels der stilte
of aan het laatste slurpen van het daglicht,
het is dan dat een god mijn lichaam bewoont.

Het is wanneer ik hem vluchtend benader
en op zijn schouder rozen kus of soms
mijn mond laat rusten als een munt
dat ik mij uitwis en kortstondig glinster
als de ster, vóór zij in zee valt.

Het is wanneer ik even sterf
dat ik hem eeuwig liefheb en vallend bewonder.


Paul Snoek
tekstbron: DBNL

lezing toegevoegd op 2020-03-26 03:44

over deze lezing


cover

muziek : Max Richter – On the Nature of Daylight (Entropy)
mixage : Arnout Camerlinckx
voordracht: dv


Ontdek onze CD-collectie
op BANDCAMP!